woensdag 4 mei 2011

Geen groen maar goud.

Het is een tijdje stil geweest hier, ik weet het. Wat overigens niet wil zeggen dat ik niet zo af en toe het water heb opgezocht, want dat is wel degelijk gebeurd. Al was het tot nog toe weinig memorabel. Ik ben een paar avonden met de vliegenhengel achter de voorns aan gegaan, en ook zijn de eerste sessies met de penhengel een feit. Al waren dat nog een beetje proefsessies. Korneel, één van de drie vaste deelnemers aan de witvisavonden aan de Vecht, bleek de laatste tijd lastig te reserveren voor een avondje hengelen. Hij schijnt een krat bier te hebben moeten ontvoeren naar Zuid-Afrika ofzo. Alles leuk en aardig en ieder zijn ding natuurlijk, maar daarmee is de Vechtcompetitie dus nog steeds niet officiëel geopend.

Traditiegetrouw is de jacht op nieuwe stekken door Arthur (die andere onvolprezen deelnemer aan de Competitie) en mij echter wel weer in volle hevigheid losgebarsten, en zo af en toe wordt er op zo'n potentiëel watertje proefgezeten. Vanavond ging ik er echter een keer alleen op uit. Niet naar een écht nieuwe stek, maar het was er wel eentje die voor m'n gevoel nog lang niet al haar geheimen had prijsgegeven en derhalve nog een beetje aan me knaagde. Ik had er vorig voorjaar min of meer bij toeval eens zeelt gevangen en een mooie groene biefstuk was vanavond dan ook hoofddoel van de expeditie. Thuis maakte ik een simpel voertje van wat mais en oud brood, zorgde voor een thermos vol hete koffie en toog vol goede moed met de splitcane naar de polder.
Daar aangekomen werden twee bescheiden voerplekjes tegen de leliebedden gemaakt, een evenzo bescheiden kampement bestaande uit een uitgespreide vuilniszak met een handdoek er overheen en een campinglantaarntje ingericht en daarna tuigde ik rustig de hengel op. Al snel bleek dat de paar stukjes brood die uit mijn voer naar de oppervlakte waren komen drijven gretig werden gepakt. En hoewel ik niet voor de ruizers gekomen was vanavond, kon ik het toch niet laten de maden aan de haak eerst even op half water onder de pen te zetten. En voor die pen goed en wel stil lag na de eerste inworp, liep hij alweer mooi weg. Aantikken, hangen. En een leuke dikke ruisvoorn van zo'n 20-25 centimeter lag na wat dappere ontsnappingspogingen in het gras.




















Ik haalde hetzelfde trucje uit op m'n andere voerplekje en ook daar hing binnen de minuut een ruisvoorn, iets kleiner ditmaal. Genoeg gespeeld, de avondschemer naderde en ik kwam voor zeelt. Voor die voorns zou ik nog wel een keertje terugkomen met de vliegenlat. De pen zo afstellen dat het aas op de bodem zou liggen dus, hem tegen de lelies aanleggen, de hengel binnen handbereik leggen, een bakkie koffie inschenken, een pijpje stoppen en het was vanaf dat moment wachten op de dingen die komen gingen. En dat waren er aanvankelijk niet zoveel, die dingen. Veel lijnzwemmende voorn en één prachtige schuine wegloper die me bij aanslaan slechts een dot draadalg opleverde, veel meer was het eigenlijk niet. Het begon inmiddels goed donker te worden. De kikkers kwaakten uit volle borst, in de verte riep een uil en ik besloot met een breeklichtje op de pen de andere voerplek weer eens te proberen. Met succes. Na wat voorzichtig gewiebel ging de pen twee keer volledig onder om na de tweede keer bovenkomen vrijwel meteen langzaam maar zeker weg te lopen. Ik wachtte nog even, tikte aan en voelde vis. Grotere vis. En hoewel de vis lang diep bleef en flink knokte, miste toch de massieve constante weerstand die typisch is voor zeelt. Even dacht ik aan brasem, maar  de dril leek geenszins op de vijf-keer-flappen-gevolgd-door-een-imitatie-van-een-natte-plastic-zak die bij brasem hoort. Wat er uiteindelijk tegen de kant naar boven kwam was tot mijn verbazing wederom ruisvoorn. En een hele beste. Sterker nog, ik geloof niet dat ik ooit een grotere heb gevangen.




















Hoog gebouwd, moddervet, met donkergouden flanken en bloedrode vinnen. Zo zie je ze toch niet heel veel. Ik niet althans. En dat om elf uur 's avonds in het pikkedonker vanaf de bodem. Alle mij bekende theorie en tactieken over ruisvoornvissen kunnen daarmee in één klap het raam uit geloof ik. En hoewel iets in mij de beste rakker liever op een zonnige dag aan een droge vlieg had gevangen, hoor je me bij zo'n vangst toch echt niet klagen. Aangezien ik geen meetlintje bij me had kan de vis niet officiëel als pr de boeken in, maar afgaande op de verhouding ten opzichte van de hengel leek deze rooie rijer bij thuiskomst ergens tussen de 30 en de 35 cm. En dan schat ik bescheiden. Nogmaals, zo vang ik ze toch echt niet elke dag.

Oh ja, zeelt. Nadat de voorn was teruggezet maakte m'n pen in het volgende uur nog tweemaal na een hoop tergend langzaam gewandel en gewiebel een mooie glijvlucht richting diepe. De eerste keer miste ik volledig, waarna een flinke vis met een grote boeggolf het hazenpad koos. De tweede keer voelde ik even weerstand, maar de vis loste vrijwel direct. Ik was inmiddels volledig verkleumd en het restantje koffie in de thermoskan was er al niet veel beter aan toe. Het was voorbij middernacht en meer dan mooi geweest. Maar ik krijg ze nog wel, die groene kraalogen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen