zaterdag 6 november 2010

Snoek.

De eerste week van november en alle najaarscliché's zijn van toepassing; het regent en stormt, het is donker tijdens het ontwaken en donker tijdens het huiswaarts keren, de pepernoten liggen lang en breed in de winkels en bezemwagens en jeugdige delinquenten met bladblazers blokkeren de fietspaden. En met het najaar begint het echt goede snoekvissen. Ik kan ze ruiken als ik naar buiten ga. Omdat dit jaar de focus met het oppakken van de vliegenhengel een beetje verlegd is heb ik in 2010 weinig op snoek gevist. Laat staan dat ik er veel gevangen heb. Had ik er vorig jaar rond deze tijd al een leuk aantal succesvolle tripjes opzitten, mijn eerste herfstsnoekjes van dit jaar heb ik deze week pas gevangen. Twee lullige hammer handles die de halve meter nog niet haalden en daarmee eigenlijk ook niet voor de echte snoekervaring zorgden. En daar is het me tijdens het vissen op snoek nou juist om te doen.



















Ik vis graag op snoek omdat ze altijd voor een hoop gedonder zorgen. Het zijn grote en indrukwekkende beesten met een angstaanjagende waffel vol scherpe tanden en ze hebben een hoop gekke fratsen. Ten eerste de fascinerende eigenschap vanuit het niets te verschijnen en als een pijl uit een boog een uitval te doen naar je aasje. Als dit op een afstandje gebeurt is het al prachtig, maar gebeurt dit vlak voor je voeten dan schrik je je vaak halfdood en zit de adrenaline met een halve seconde tot in je vingertoppen. Zo stond ik ooit aan de Utrechtse Vecht mijn plugje richting overkant te smijten toen er na een paar worpen ineens vanuit de kant, pal onder m'n voeten een grote snoek half uit het water kwam om het toen alweer stil liggende Fat Rapje te grazen te nemen. Ik stond daar zeker al tien minuten en het water waar de snoek lag was nog geen vijftig centimeter diep, maar ik had de vis niet gezien. De snoek miste overigens en liet zich niet nog eens verleiden tot een dergelijke uitval, maar dat terzijde. Er vanuit gaande dat de vis wel raak hapt en blijft hangen, dan kun je je lol op tijdens de dril. Een gehaakte snoek maakt geen enorme runs, maar bedient zich van korte felle sprints gepaard gaand met een hoop gerag en gespetter in de oppervlakte, hevig kopschudden en als ze er zin in hebben tailwalks en sprongen uit het water. Vaak een klein spektakel dus, wat nog wordt versterkt door het idee dat de snoek niet bang lijkt, maar oprecht kwaad. Toen ik net met snoekvissen begon werd ik altijd een klein beetje bang van ze. Dat is snel overgegaan, maar nog steeds heb ik elke keer dat die linke kop van een grote snoek voor het eerst door de oppervlakte breekt een klein "Oh, shit."-momentje.
En als de snoek dan uitgeraasd lijkt ben je er nog niet. Je moet 'm immers nog landen en onthaken. Een beetje snoekvisser landt zijn vangst met de hand, in de nek van de vis of via het kieuwdeksel. Dikke pret, want vaak opent de snoek als je hem beetpakt nog even z'n bek, om direct daarna tot een lekker potje kopschudden over te gaan. Tel daarbij de elementen tanden, scherpe kieuwbogen en loshangende dreggen, en als je je dan nog geen voorstelling kan maken van de mogelijkheden moet je bijvoorbeeld Arthur maar eens om uitleg vragen.




















Snoeken zijn werkelijk waar kampioenen in het zorgen dat loshangende dreggen snel vasthaken in jassen, broeken, handen, armen en andere uitstekende delen. Gelukkig heb ik zelf nooit van het genoegen van dreggen in mijn lijf mogen proeven, maar ben ik wel ooit nagenoeg geimmobiliseerd door een snoek die -inmiddels op de kant- met een leuk getimede spartelpartij de plug met één dregpunt aan m'n jasmouw hing, en met een andere aan m'n broek. Ik zat op m'n hurken en moest m'n jas uittrekken om weer op te kunnen staan. Snoek blijft ook op de kant kwaad en kan van het ene op het andere moment tijdens het onthaken overgaan in explosies van gespartel en geschud. En dat is altijd weer opletten geblazen als je met je ene hand tussen de scherpe kieuwbogen zit en met je andere het kunstaas tussen z'n tanden vandaan probeert te halen. (Meestal met een tang weliswaar, maar toch.) Zelfs met de grootste voorzichtigheid kan ik meestal niet voorkomen dat m'n handen aan het einde van een dagje snoeken vol bloederige krassen en schrammen zitten. Ooit zat ik daags na een goed productief dagje snoeken bij een potentieel nieuwe werkgever aan tafel met een rechterhand die eruit zag alsof ik net had gevochten met de buurman. En zijn kat. Een paar weken na de sollicitatie ontving ik een mail met de mededeling dat de keuze niet op mij gevallen was en dat "dat een beslissing was die voornamelijk op basis van intuïtie genomen was." Bedankt mevrouw Esox.
Een andere charme van het snoekvissen is het feit dat je lekker struint en op die manier veel water en omgeving meepakt. Met condenserende adem door een winterse polder banjeren op jacht naar de krokodillen blijft een bescheiden air van avontuur met zich meebrengen. Al hebben in alle eerlijkheid een hoop snoektripjes me ook naar de lelijkste nieuwbouwwijken van de provincie en onder duivenstront bedolven stadsbruggen geleid. Want ook daar zitten ze. Snoeken houden nou eenmaal van bruggen, steigers, palen en muren. Zo komt mijn grootste snoek, 1 meter precies, gewoon uit de stadssingels van Utrecht. Deze rakker dus.

























Zo'n foto moet toch ook wel iets over de aantrekkingskracht van deze tak van sport zeggen? Hoewel de symptomen van mijn besmetting met het snoekvirus niet meer zo hevig zijn als pakweg een jaartje of twee geleden, blijkt de aandoening een chronische die nog geregeld zijn kop opsteekt, met name als de dagen korter worden. En ik gok dat dat nog vaker gaat gebeuren als ik nog eens een zwaardere vliegenlat aanschaf voor de visserij op snoek met streamers. Maar alles op z'n tijd. Morgen maar weer eens met de spinhengel op pad, op zoek naar de eerste fatsoenlijke groenjas van deze herfst.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen